Onze-Lieve-Vrouwekathedraal
Van Kapel tot Parochiekerk
De oudste betrouwbare vermelding van Onze-Lieve-Vrouwekerk
dateert evenwel van 1124 en houdt verband met haar verheffing
tot parochiekerk. In dat jaar werd het kapittel van Sint-Michiel
omgevormd tot norbertijnerabdij, de later zo machtige maar nu
helaas verdwenen Sint-Michielsabdij. Acht van de twaalf kanunniken
verhuisden naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel en vormden daar een
nieuw kapittel dat het overgrote deel van de parochierechten voor
Antwerpen verwierf, en jaren later ook de nog resterende rechten.
Een Romaanse kerk
Pas de laatste opgravingen (1983-1990) gaven enig
inzicht in het plan en de omvang van de Romaanse voorganger van
de huidige kerk. De archeologen legden toen de funderingen bloot
van een klaverbladvormige koorpartij die naar alle waarschijnlijkheid
aansloot op een driebeukig schip, waarvan de middenbeuk en de
zijbeuken ongeveer dezelfde breedte hadden als de huidige middenbeuk
en de onmiddellijk daarbij aansluitende zijbeuken
De nieuwe rijkdom had rechtstreeks gevolgen voor
de kerk. Zo was de eerste helft van de veertiende eeuw bijzonder
rijk aan nieuwe kapelaniestichtingen, de meeste in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Bij zulke gelegenheden ontstonden de altaren van de Heilige Cecilia,
de Heilige Aghata, Onze-Lieve-Vrouw "in nono opere",
Sint-Andries, Sint-Joos, de Heilige Barbara, de elfduizend Maagden,
Sint-Laurentius, het heilig Kruis, Sint-Eligius en Maria Magdalena.
Op dit groot aantal altaren was de oude kerk niet voorzien. Ze
was gebouwd in een periode dat slechts een of twee altaren gangbaar
waren, een kooroffice van het kapittel en een voor de parochie.
Het gevolg laat zich raden. Een nieuw gebruik van de kerkruimte
in een florerende stad, de noodzaak van een groter kerkgebouw
en de aanwezigheid van de middelen doen besluiten om een nieuwe,
moderne en dus gotische constructie

De grootste gotische
kerk der Nederlanden
In 1352 wordt, volgens een anonieme kroniek, de
bouw aangevat van de huidige kerk, wat haar meteen een van de
jongste in de reeks van de grote gotische kerken in Brabant maakt.
Wie, in die wetenschap, verwacht dat het grondplan van de kerk,
na een studie van de andere Brabantse voorbeelden, tot een uitgebalanceerd
en coherent geheel uitgroeide, komt bedrogen uit
De oude kerk werd niet zomaar geheel of gedeeltelijk
afgebroken om plaats te ruimen voor de nieuwe. Deze werd integendeel
om de oude heen gebouwd om de religieuze diensten zo weinig mogelijk
te hinderen. De laatste resten zouden pas in 1482-1487 gesloopt
worden. Misschien moet precies in die bouwpraktijk en in de afmetingen
van het Romaanse gebouw de oorzaak gezocht worden voor de ietwat
merkwaardige verhoudingen tussen lengte en breedte van de verschillende
traveeën.

Opmerkelijk is wel dat omstreeks 1450, bij de bouw
van de zesde en zevende beuk, ook voor het eerst melding gemaakt
werd van altaren voor de schuttersgilden en ambachten. Het aantal
gilden en ambachten dat een eigen altaar wenste liep zo sterk
op dat verscheidene onder hen het altaar moesten delen.De laatste
helft van de vijftiende eeuw zet zich dus duidelijk een volgende
fase in van de "veraltaring" van het nog onvoltooide
kerkgebouw. De werken aan de zuidertoren werden grotendeels bekostigd
door de stad Antwerpen, die in tegenstelling met de grote Vlaamse
steden niet over een belfort beschikte. Deze werken waren omstreeks
1475 stilgevallen en ook de bouw van de vieringtoren was letterlijk
in het dak blijven steken, ten voordele van de verdere afwerking
van het kerkschip. Het nieuwe opzet getuigt van voorspoedige tijden.
Het bevolkingsaantal was gestegen tot ongeveer 60.000 zielen en
maakte Antwerpen tot een van de grootste steden benoorden de Alpen.
Uit berekeningen op basis van de bekende opbrengsten van een belastingheffing
op de totale uitvoer van de noordelijke en zuiderlijke Nederlanden
voor 1543-1545, blijkt dat de stad Antwerpen ruim tachtig procent
van deze uitvoer voor haar rekening nam.

In 1519 kregen meester Rombout (Keldermans) en meester
Dominicus (de Waghemakere) opdracht alsvat een koor voor de nieuwe
kerk te ontwerpen. Op 14 juli 1521 werd door Karel V, daarin bijgestaan
door koning Christiaan van Denemarken, de eerste steen gelegd.
Het moment kon nauwelijks slechter gekozen zijn. Daags voordien
waren te Antwerpen voor het eerst in het openbaar boeken van Maarten
Luther verbrand. Bovendien eisten ook andere Antwerpse kerken
in opbouw hun deel.daardoor daalden de inkomsten uit giften en
erflatingen precies in deze jaren spectaculair
Het grootscheepse project zou echter geen lang leven
beschoren zijn. In 1533 brak brand uit in de kerk Het herstel
van de brandschade had wel tot gevolg dat de plannen voor het
"nieuw werk" tenminste tijdelijk werden opgeborgen.
Alle beschikbare middelen werden ingezet om de normale voortgang
van de eredienst zo snel mogelijk te verzekeren. Van uitstel
kwam afstel.

Anoniem, Aanbidding der Koningen, 1537, gebrandschilderd
glas
Het glasraam met de aanbidding der koningen in
de noordwand van de middenbeuk is een schenking van de Antwerpse
koopman en buitenburgemeester Ferdinand Dessa en zijn echtgenote
Barbera Rockox. Samen met hun zonen, dochters en patroonheiligen
werden ze geportretteerd in het onderste register van het raam
Beeldenstorm
De kerk was nog maar nauwelijks terug ingericht
toen in 1566 de eerste beeldenstorm uitbrak.Op 9 september 1566
beval de stadsmagistraat de ambachten hun altaren weer op te richten.
De onrust was evenwel nooit weg. Van 4 tot 7 november 1576 woedde
de "Spaanse Furie" over de stad. De kathedraal bleef
wonderwel gespaard, maar werd uit voorzorg enkele dagen
gesloten. Twee jaar later kwam de stad onder calvinistische dekens
aan het hoofd van de ambachten. in 1581 vroegen zowel de zes gewapende
als, even later, de ambachten in een rekwest aan het stadsbestuur
om hun altaren uit de kerk te mogen verwijderen. Vier jaar lang
bleef Antwerpen onder calvinistisch bewind. Pas de herovering
van de stad door Alexander Famese in 1585 zou daar een eind aanmaken
en de katholieke eredienst herstellen
Contrareformatie
Opnieuw diende de kerk heringericht te worden. Opnieuw
werd een golf van bestellingen geplaatst bij de beste kunstenaars
en dat desondanks de beroerde tijden; de schelde was gesloten
en zowat de helft van de Antwerpse bevolking zocht zijn heil in
rustiger oorden. Sommigen werden bij gebrek aan middelen, of was
het uit voorzichtigheid, verplichtde oude altaren terug te plaatsen
in afwachting van betere tijden. De geest van het kerkinterieur
zou er in elk geval grondig door gewijzigd worden. De oude werken
die de toeschouwer moesten aanzetten tot stille devotie en meditatie,
werden vervangen door propaganda voor het Roomse renouveua: de
contrareformatie
Vernieuwender nog zijn de kunstwerken op de altaren
die pas in de vroege zeventiende eeuw zouden heringericht worden.
De stuwende kracht gaat daarbij uit van een van de grootste schilders
alle tijden: Pieter Pauwel Rubens. In 1608 keerde de meester terug
uit Italië na het bericht ontvangen te hebben dat zijn moeder
zwaar ziek was. Bij zijn aankomst in de Scheldestad was ze echter
reeds overleden en misschien koesterde Rubens plannen om terug
te keren naar Italië. Hij had zich in dit land al een mooie reputatie
verworven en er stond hem ongetwijfeld een schitterende carrière
te wachten. De aartshertogen Albrecht en Isabella boden hem echter
de functie van hofschilder aan. Onder het beding dat hij zich
in het Antwerpse mocht vestigen ging de meester op deze uitnodiging
in.
|